1

_______________________________________________

Houterige meeuwen, klepperende

Snavels, witgeschilderd kinderspeelgoed

Dat aan lijnen, lange touwen,

In de wolken vastgehouden, langszeilt,

Heen en weer langs mij. Een rustende

Pruilende mond drijft voorbij –

Zo was het uitzicht in je kamer.

De wind joeg om de vleugels van je huis

Of zong er in de open ramen, zo

Hoog, zo hoog waren wij samen.


De wind die rond de stompe

Flatgebouwen tolt, hij klinkt als

Fluiten uit een tandeloze mond

En in mijn droom liggen wij aan elkaar

Gekleefd als bladeren van een boom

Die in de herfst zijn afgerukt en

Door de regen bij elkaar geveegd

En wat er van ons overbleef zijn

Resten en de teefse smaak van

Zweet, zeep, geil en samenslaap.


 

 

 

2

_______________________________________________  

Sneller dan wind, dan wind

Zingt de trein in zijn baan,

Op zijn rails, aan zijn draden,

Sneller dan wind. O het


Troosteloos licht van de

Vierkante maan, door tralies

Waar koffers horen te

Staan. Er is niets


Te zien dan verdubbeling van

De grauwe coupé, mijn

Bleke gezicht waarop

Schaduwen staan en de


Lege gang – tot

In kale wijken bij oude

Stations plotseling zicht

Daagt in kamers om je in

Op te hangen.

 

 

 

 

3

_______________________________________________

Remmen als anker-

Kettingen, hopen steen

En overal stappen

Mensen in. Tweeduizendeen


Is het uur, graden: min

Twee. Een wemeling van

Lichten en weerspiegeling

Trekt over glas. De maan


Rijst als een ei waarin

Een foetus schemert uit

De hoogbouw en drijft af

In het radioaktief


Stralende blauw van

Lichtreclameletters

Boven steden. Je zult

Niet aan mij denken

Maar ik denk aan jou.

 

 

 

 

4

_______________________________________________

Aquamarijn gekrulde stroken. Voor

De zonsondergang staan ver in zee

Pijpen te roken. In het verdiepend

Rood winden zich hun kolommen tot een

Wolk die langs de stijf gevouwen

Horizon wegdrijft. De branding ritst

In schuim zich open. Nog lig ik in haar

Armen, dacht ik, maar de kou is op en

Om en onder ons en het sidderen

Van mijn lijf verstomt mijn harteklop.


De ramen tonen in hun snel beslaan

Afkoeling aan en als een brandend

Rekverband trekt het ondergaan zich

Rond de hemisfeer; de kim een dan

Met purperen band en op een steenworp

Afstand liggen wij te schreeuwen, de

Hoofden tussen elkaars benen. Als wolken

Fronsende tezamen verstrengelen

zich onze namen. De maan wordt

Vol, de vorst is incunabel.

 

 

 

 

5

_______________________________________________

Kaal dorp, dat aan de snelweg

Ligt geregen als een kraal –

Een pomp, een uithangbord, een paal

Met namen van meer dorpen en

Allemaal een kerk die als een

Stenen ruiter in het midden

Van de bijene huizen staat.

De weg loopt als een lint onder

Mijn denken door. Dorstig naar inkt

Slaat het zich in beton. De wind


Hamert het water van de vaart en

Schept het met handenvol spattend

Over straat. De rennen zijn ons

Stapvoetse geworden, het uit-

Zonderlijke uitgangspunt in

Plaats van doel. Elk bewijs uit het

Ongerijmde is overtuigender

dan de duurste eden die

moeten leiden tot zekerheid

Omtrent ons menselijk gevoel.

 

 

 

 

 

 

 

6

_______________________________________________

Industrieën liggen er als schillen

Om de stad. Als stenen schepen

In het landschap. Rietveldenstraat.

Vervreemd in een benaming

Ligt een rest van het verleden

Opgebaard. Een wildernis die schemert

In de taal, het glanzend springen

Van een hert uit chroom en staal:

Impala, Chevrolet, van Triump Stag.

Fossielen in metaal als amulet.


Ballast van de geschiedenis die haast

Ondragelijk hier is. – De snelweg

Loopt in kiezels dood. O muren van

Betonnen planken, het grauwe riet

En plekken sneeuw die je als smerig wasgoed

Langs de sloten weggesmeten ziet.

Er is geen hoop, er is slechts leven

En als wij sterven is het niet

Van honger of verdorsting naar, maar

Drinken en van voedsel van elkaar.

 

 

 

 

7

_______________________________________________

Is er beweging in haar handen

Als ik ze streel? Is er een antwoord?

De huizen nemen het gezicht aan

Van het land, als bazen van hun hond

En alles vond ik mooi, van toegevroren

Sloten en karresporen tot groene

Uitslag op de koperen torens, dit is

De streek waarin ik werd geboren.

Ik buig mij over naar haar mond, maar

Met een ruk wendt zij haar wang voor.


Op lege emplacementen met

Emblemata van steden, van in lijnen

Gedomesticeerde leeuwen, fluit men

De resten van een aria die zo

Bekend werd dat men naam en zangeres

Vergat, de echo hangt in de gewelven

Na. Wij voeren onze wil uit zonder

Het te weten en kneden het noodlot

Dat alleen van vorm verandert

Tot het als was in onze handen is.

 

 

 

 

8

_______________________________________________

Je kont is groter dan je

Hart, maar even rond,

Het is vreemd, maar als


Je op de dansvloer gaat

En je met iedereen,

Behalve mij, met wie je


Bent, verstaat, denk ik

Aan wellust en geweld

En aan elk woord dat daarvoor


Staat en wens ik het je

In te peperen, stuk

Voor stuk en allemaal.


De straat is de moeder

Van de taal, ik hang aan

Haar rokken waar zij gaat.

 

 

 

 

9

_______________________________________________

Zongen mijn remmen als massale

Koren, terwijl mijn hart achter haar

Aan door volle zalen joeg en zocht

Dat ze het koud zou laten, terwijl

De wind door de portieken sloeg,

Het blad in cirkeling naar boven

Zoog en het sonore klinken van

De toren eindelijk in minder

Zware uren woog, waren de polen

Van mijn ziel strijding geladen,


Had ik zo’n vreemd en branderig

Gevoel van haast en jachtig willen

Als een vuur waar teveel lucht in blaast

En scheurde ik haar kleren open

En trok haar benen van elkaar, heb

Ik haar naakt en koud gemaakt, haar

Schoonheid was zij niet verloren,

Had ik voor niemand ogen dan voor

Haar – schiep ik een theorie waarin

De liefde zegevierde over.

 

 

 

 

 

10

_______________________________________________

Er schemert een uitdrukking

Doorheen, het is steen en been,

Het is steen en been. Door het merg

Van deze bouwsels dringt een

Ritme heen en het stampen

Van de voeten dreunt uit

Vloeren door; de wereld is een

Helser oord, adolescenten

Trekken er in horden rond en

In mijn droom roept ze opgewonden


Dat de geslachtsdaad

Is voltooid. Waar zijn mijn

Woorden, waar de lijnen van

Hun regels? Hoe wordt die chaos

Die beangstigt, tot iets van

Blijvend inzicht gerangschikt?

O ik ben van vorst op

Ruiten en daar de maan doorheen,

Ik ben van niemand, buiten

Noch binnen, ik ben alleen.

 

 

 

 

11

_______________________________________________

Mijn liefste wil bij mij niet

Wonen, mijn liefste wil niet

Zijn met mij. Een treintje van

Liguster tuft door tuinen

En in weerspiegeling zwieren als

Wissers wilgetakken over

Ruiten van auto’s die ook zelf

Stilstaan. Voor het raam

Strijk ik mijn dichtershemd van

Zij. Mijn liefste wil niet zijn


Bij mij. Badkamers, binnensten

Van huizen. Onder water geef

Ik mij over aan het piano-

Gerucht van buren en het

Murmelen van de buizen.

Haar gezicht is gesluierd

Met haar als met wolken, met

Fladderend strooisel van ogen,

Stuifmeel van sterren, vrolijke

Oorlog. Het is Nieuwjaar.

 

 

 

 

12

_______________________________________________

O zwaar is het hart dat als een peer

Aan aderen in de borstkas hangt.

Gezwollen van verdriet, te hoog voor

Dorst. De luchtbel van de kale kroon van

Takken aan de boom herschept zich

In de nerven van zijn blad, ontvleesd

En schoon. Een fijnvertakt patroon

Als van een spinneweb. De vormen

Spiegelen zich aan elkaar in een proces

Van altijd durende herordening


Van hun structuren. Zie het schors

Dat licht door glas op laken legt, glas

Waar de adem van de maker in beklijft,

Zie de zorgvuldigheid! – Als het IJsselmeer

Bij storm, driftig en kort van slag

En soms een snelle kabbeling, golft

Zij. Een steen van licht die roerloos in

Haar rimpelen ligt ben ik. – Ik zet mijn

Lippen aan haar hoorn en hoor! van heel

Ver dringt haar roepen tot mij door.

 

 

 

 

13

_______________________________________________

En, zul je altijd van me houden? –

Altijd. Strandlopertjes, ze slapen

Hoog in lucht, de vleugels gestreken,

De pootjes tegen elkaar gerust.

Monumentaal als pyramiden liggen de

Duinen, van achter hun zijden

Bakkebaarden, hun zilveren oude

Herenhaar van helm, op zee gericht.

De klauwen van goedmoedige leeuwen

Zijn golven; in hun luie parelmoeren


Glans van oliën drijft een Ajaxfles.

Met Sparta op zijn rug rent een atleet

Voorbij. Scherven van aardewerk en

Schelpen. De gekromde en doorsneden

Vierhoeken die meeuwen achterlaten

In het zand naast de profielzool van

De trimmer. Welke archeoloog zal

Over eeuwen welke raad weten

Met de misschien versteende prenten

Van hun voeten en na welke ramp?

 

 

 

 

14

_______________________________________________

In diepste slaap ligt, als in

Water een cel van lucht, een

Droom, die aan de bodem

Van de ziel ontsteeg en wat zich

Daarin afspeelt is zo hevig

Dat zij – o duikerklok

Naar het bewuste – opsteeg

Om aan het oppervlak uiteen

Te spatten en mij leeg en

In vervoering achter te laten,


Drenkeling van de ziel, van

Het gevoel. Ik word als door het

Tij om en omgelegd in

Het laken. De regenboog,

Die brug naar het onbewuste –

Zijn wij op zevenmijlslaarzen

Van de verbeelding te zwaar

Om ons terug te laten voeren naar

Die wieg, die gouden pot?

Naar dat Walhalla?

 

 

 

 

15

_______________________________________________

Onrust, dromen, je verzoek mijn

Tong zo mogelijk tot je keel

Langs jouw tong heen te leggen – ik

Ontwaak, een slang die kronkelend

Probeert je in zijn greep te krijgen

Maar die zichzelf het paradijs

Uit heeft gejaagd. Ontstoken

Slijmvliezen, verdoving, snot. Alleen

Substanties blijven voor de luchtpijp

Over. Hijgen, het smaken van genot.


De tong van de zonsondergang,

Die rode as van het verlangen, waar

De nacht om draait, is door de strot

Van de aarde heengeduwd, -ge-

Trokken en spuwt het oosten tot

Het in lichterlaaie staat. O het

Speeksel van je mond was zoeter

Dan Turkish Delight! Uit een cocon

Van lakens losgemaakt gaapt voor

Mij de holte van de ochtend.

 

 

 

 

16

_______________________________________________

Sloeg ik hun koppen op de grond

Tegen elkaar en huiverde

Omdat hun huid mijn nagels deed

Vervuilen – het is niet waar, het is

Niet waar! Zij kennen niets dan

Leugens en in hun eis zelfs de

Geringste waarheid telkens

Opnieuw te moeten horen – uit

Ongeloof aan haar en uit

Onhelderheid – maken zij dat ze


Bij het herhalen elke keer

Meer als liegen klinkt. Dit is het

Ergste bederf, waar zelfs de

Aantasting van het zelf bij

In het niet verzinkt. Het stoken

En ondermijnen, zoals het

Schrapen van tanden van konijnen

Onderaan de bast de boom

Doet kwijnen en hem langzaam

Verandert in een dode mast.

 

 

 

 

17

_______________________________________________

Keek in mijn ogen, in de zich

Vernauwende pupil, zag en

Passant de iris aan de rand

Weer blauw worden, zoals ik had

Als kind en voelde opeens hoe het

Oneindige in het oneindig

Keek, voorbijziend aan zijn

Tijdelijke verschijningsvorm, het

Ik. En ‘s nachts, als de rest

Van het lichaam slaapt, gericht


Op rust, dan knaagt het ongenoegen

Aan de randen, dan trekt het

Tandvlees zich geluidloos op als

Lippen van een beest dat zonder

Grommen zijn gebit laat zien, niet

Aan de ander, maar aan het donker

Binnenin en weet ik mijn leven

Een scheef huis van regels en van

Beelden en geef ik een dichter-

Schap voor adem, voor wat lucht.

 

 

 

 

18

_______________________________________________

Soms, als ik naar haar kijk, zie ik

Alleen mezelf, ze kaatst me terug, is

Rond en ontoegankelijk. Wie is

Het die ik ken, tot wie ik inga,

Die tot haar ingaat en voelt dat hij

In het diepste van haar zelf buiten

Haar staat, wie is het die ik ben? – Ik

Wreef over de arde, zij werd nat,

Ik wreef grondig en zij begon te

Stromen, ik gleed met haar bewegen


Mee; de vlokken van haar iris

Donkerden of wolken samentrokken

Boven golven, of er een storm opstak.

Ik zag een staren in haar komen. Ik

Zag verblinding in haar ogen waarin

Ik mij gespiegeld zag, verblinding

Die mijn beeld droeg, die ik was. Toen

Brak mijn slaap en lag mijn dromen

Open en hoorde ik het klagen van

De mistboei de godganse nacht.

 

 

 

 

19

__________________________________________________

Zoals zij haar lint strikt in haar haar

Des ochtends; zoals zij koninklijk

In haar peignoir de trap afdaalt als

Licht dat opkomt; zoals de lengte

van haar rug, getrokken in de stof

Die tot de grond toe afhangt, zich in

Billen afrondt; zoals haar nylons

Langs de lijnen van hun naad haar been

Glaceren; zoals op haar verder

Transparante kleren prachtige


Fazanten geborduurd zijn op haar

Borsten; zoals zij binnentrad in

Mijn kamer, alles uitdeed en on-

Middellijk in bed kwam; zoals de

Haartjes op haar rug, dat zachtste

Prikken bij het strelen, in mijn vingertop

Gegrift staan; zoals ik wat ik zie

Nooit altijd zal bezitten, zo zat het

Verdriet mij hoog, maar kwam mijn snikken

Van veel dieper, uit mijn midden.

 

 

 

 

20

_______________________________________________

Het dromen krimpt mijn lichaam samen

Als om een maagstomp, of het

Hulpeloos hangt over een aarde

Ter grootte van een luchtballon

En heftig klopt mijn hart. Mijn

Geest wringt zich in beelden, flarden

Van een verleden dat nooit zo

Werd beleefd. Elke daad, elk woord

Krijgt er een andere lading

En het herinneren leeft, steeds


Van betekenis veranderend,

Met mij mee of het geweeste

Mijn toekomst is, de droom mijn

Actueelste heden. Een streng van

Winden om de aarde gewonden,

Altijd op weg het evenwicht in

Luchtdruk te bewaren, soms te

Voelen, soms te horen kluwen

Van onzichtbaar stromen, spieren

Van verkropping zijn mijn dromen.

 

 

 

 

21

_______________________________________________

In de wolken van de dag drijft, groots,

De rust voorbij van een gestorven

Hoofd. Of slaapt het? Nee, het is dood, want

Op zijn snelle tocht ontbindt het tot

Een vormeloze hoop. De wind is

Oost, het wordt op zee begraven. In de

Avond smeult de aarde, nevel

Stijgt op waar vuur is ingezonken,

Traag breidt zij zich uit naar steden, waar

Het licht zich, als aan fronten, heeft


Opgehoopt. Een trein, een kleine slang

Of glimworm, draagt zijn lichtsegmenten

Door de nacht. Vuurvliegen, door de gloed

Van landingsbanen aangetrokken

Dalen als stippen licht naar lege

Velden met machines af en op

De stille vloer van een verlaten

Oceaan droomt het verkiezeld

Organisme van de sprong, de val, naar

De twee helixen van het bestaan.

 

 

 

 

22

_______________________________________________

Indruk van ademloos als van na

Rennen; indruk van oeverloos,

Als tijdens zwemmen; indruk van

Handen die aan elkaar raken,

Van vliegen als boven de

Aarde; van engelen uit

Wolken getrokken; van ronden

Lopen in vierkante kamers.

Dagelijks hamer ik geduld

Uit ongeduld als deuken


Uit een plaat van ijzer. De

Omgang is een slepend zeer,

Haar uitvaren en mijn verweer

Verkeren bruusk als branding

En basalt, haar roffelende

Stroom daalt onophoudelijk op

Mijn vesting neer, maar uit het

Zachtste van haar keel wellen haar

Snikken als ze komt: Ik hou van je,

Ik mis je alle dagen meer.

 

 

 

 

23

_______________________________________________

De gedimde koplamp van de maan,

Die kalme, ruiterloze motor

Die op de vluchtstrook van de lucht al

Lang geleden, zonder doven, stil

Is blijven staan, is mijn escorte

Op mijn tocht. Haar zijspan maakt ruim

Baan tussen de wagens van mijn reizende

Genoten, die hun vermogen tot

Dagen in kleine dozen bij zich

Dragen. De hemisfeer heeft haar


Vizier gesloten en hun speldeprikken

Schampen op haar af. Plaagstootjes licht

Rijgen zich soms aaneen tot stiksels

Die ze de zomen van de nacht aan-

Naaien. Prachtig is het gepaarde

Slepen van hun witte en gele

Schijven tot kettingen en rijen –

Voor wie ze van nabij ziet over-

Schijnen ze het verre stralen van

De sterren met hun lichte kracht.

 

 

 

 

24

_______________________________________________

De ribben van de brug liggen

Als wervels in de lymfe van

De lucht en trillen van hitte.

Rug, die zich spant van de oever

Naar een overkant. Door het land-

Schap flitsen spiegels, ruiten,

Blinkende lemmetten. Wind

Rolt op licht gedragen over de

Golven aan, zijn slaven. Stralend

Zijn ze gebogen onder zijn


Koninklijke slagen. De hemel

Gorgelt kort uit haar metalen

Kelen. Achter hun namen rusten

Onzichtbaar dorpen en steden.

Wildernis van verbindingen,

Strekking van ribben; ik glijd

Langs de knopen van haar rug,

Touwladder naar een jungle van

Geluk. Tussen de wegen en het

Doel, is daar een juiste midden?

 

 

 

 

25

_______________________________________________

Benzine zoogt de tank, het

Drenken stoot zich in, als had

Het hart, als was er leven in.

Haar ogen smelten in hun

Geschilderd hemelsblauw van

Schelpen, ze druipen van

Honing. De vleugels gespreid,

Trillend, aandachtig, in aan-

Bidding toegewijd, vlinder

Die zuigt, haar onderlijf en


Achter haar zie ik Moskou’s

Honingkleurige koepels van

Kloosters en alles wat

Exotisch is en Oosters,

Tuimelende vogels, in het

Verbinden van extremen

Betoverend zingende sirenen –

Elke nacht dat ik haar

Beminde, trachtte ik in haar

Raadsels binnen te dringen.

 

 

 

 

26

_______________________________________________

Geknield biedt zij haar lichaam aan.

Het waait. De boom stroomt als een

Waterval en wier van boten slingert

Met plastic slierten en stroken

Ritselend om ons heen. Wij wonen

Onder de klimmende wolken. Kussen

Als dobberen in een monding. Geborgen

En ingekeerd, onder de cumulus van

Het middaguur, leg ik mijn hoofd

Te rusten tussen haar heupen.


In lome armen draag ik mijn dromen.

Intiemer beeld: het water kwijlt

Uit Tritons mond, begroeid met mos en

Aan zijn beide wangen vlijen zich

Dolfijnen. En alle stengels zijn

Besprongen door het weer en buigen

Zich in overgave als fonteinen

Neer. De stad spint als een wilde

Kat achter de duinen. Eenzelvig

In zijn beddingen kolkt het verkeer.

 

 

II

 

 

27

_______________________________________________

Als ik mij uit vervelen

Ging, tegen mijn zin, tegen

Mijn zin – zal ik je mee

Naar de weide nemen?

Zal ik je in de weide

Nemen? – De zeven

Windbuilen, verheven,

Lichtten hun hoeden hoogst

Bedreven, een gebaar

Dat deed vermoeden –


De hele dag zat ik

Te spelen. Ik wil, ik

Wil, ik wil je zien, omdat

Je zo mooi bent en lief

Bovendien. Voor wie bewaar

Je je, meisje, meisje, voor

Wie heb je je bewaard?

Laat mij je rijden, paardje,

Paardje, laat mij je

Rijden, laat je begaan.

 

 

 

 

28

_______________________________________________

Wat iets briljant maakt is

Zijn helderheid, gebroken

Door een scherp patroon:

De wind in bladeren

Op een sprankelende dag,

De val van water in

Een zilveren stroom, van

Vorst ijlende takken in

Een winternacht, bril

Die haar smeltende blikken


Brak; de bijlslag splijtend

In het blinkend hout, bijl

Die verbrijzelt in

Een splinterende kroon –

En niets meer om mij op

Te richten dan of ik

Honger heb of pijn –

O hoe verblindend on-

Verminderd dingen soms

In herinnering zijn.

 

 

 

 

29

_______________________________________________

Op zilveren voeten trippelt

Het bestek door het gerecht. Zij

Zit kaarsrecht, ik zit gebogen.

Statig als zeppelins drijven

Insekten tussen de rozen

Die met hun knoppen de contouren

Van Istanboel opvoeren, maar

Zonder minaretten. Ik diste

Ons geluk op maar mijn honger

Naar haar lust geen voedsel dan van


Haar aard. Koelte wuiven wij ons

Toe met de servetten. Ik wil haar

Naakter, haar rug, die glad is als

Ivoor dat door de beduimeling van

Duizend en één nacht ingesleten

Is wil ik vervolmaakt zien. Lak

Spat van haar nagels als haar

Gehakte lopen om de tafel

Nadert. Ik leg haar in het gras en

Vouw haar als een waaier open.

 

 

 

 

30

_______________________________________________

De grond werd klein en scheef

Of ik door een omgekeerde

Verrekijker keek; de stad werd

Tot een nest van chips, toen mijn

Verlangen vleugels kreeg. O het

Blauw en goud dat ik bevloog

Vierduizend vrijersvoeten hoog,

Haar luchtgezicht! Als diepbevroren

Onder helder ijs, waar schaatsers

Vliegende hun spoor in trokken


En wolken als luchtbellen in zijn mee-

gevroren, ligt ver de aarde onder mij.

De spiegeling van het gangpadlicht

Geeft mijn manchetten diamanten

En aan één van mijn vleugels heeft

De nacht een straatlantaarn gehangen.

Ik zak door wolken naar beneden

En van de groot wordende steden

Stoot ik het zachtst aan in die ene,

In dat bed, in die schoot.

 

 

 

 

31

_______________________________________________

Het cabinelicht gaat op en neer,

Pulseert, wordt polsslag van de machine,

De vleugel glanst als leer.

Hagel geselt de romp, in het gang-

Pad loopt men als tegen een helling

Op. Gebak begint te zweten. De

Zwaarte van het vliegen drukt op

Elke vierkante millimeter van

De trommelvliezen. Uit speakers

Klinkt gefluister of de ether


Lippen had: liefste in wier armen ik

Het liefste lag, liefste wier dijen

Glad als duiveveren in de kleur van

Isabel mijn lichaam in zijn vlucht

Naar huis begeleiden… Een stad

Ligt ingekrast in het donker

Glanzende aardoppervlak, waaronder

Het goud ging leven. Verfijnd, abstract

Juweel, gesponnen in een filigrain

Van uiterst dunne, gouden wegen.

 

 

 

 

32

_______________________________________________

Geweld, beteugeld in

Voortvarendheid, hartstocht

In helderheid verheven. Mijn

Liefde neemt de vormen van

Het vliegen aan. Ontroerend

Hoe de romp zich, biddend

Zonder ogen, in het blauwe

Boort, zijn onverbiddelijke

Vertrouwen. Het heilig

Toegewijde van dingen, die


Eenmaal bewogen geraakt,

Zich niet meer af kunnen laten

Leiden. Hun niets ontziend

Vermogen. Leeg is de hemel, een

Onbeschreven blad en toch vol

Wellust van de wolken. Het

Helend aanwezige van iets

Groters, van een liefde zege-

Vierend over een werkelijkheid

Waarmee zij strijdig is.

 

 

 

 

33

_______________________________________________

Een immense kalfskop ligt

Geslacht op de hardblauw

Gedekte tafel; uit kassen

Van zijn ogen gutst een

Schitterend licht dat ook

Van tussen zijn tanden dampt

In stralen. De Rembrandt van

De lucht uit het lachende

Geslacht van de stratocumulus

Vesperalis! Gebogen


Over onze dromen als over

Boeken lezen wij de verste

Hoeken van onze geest. Ons

Bewustzijn is een vlies, een

Doek dat binnen het raamwerk

Van ons lichaam gespannen staat

Tussen twee universa, het

Inwendige en dat van buiten.

Het holografisch geheim van

Hun wisselwerking uit te zoeken.

 

 

 

 

34

_______________________________________________

Het lappenkonijn van Finland

Van de atlas kwam tot leven,

Schudde met zijn oren. Wij

Doken op een stad af die in zijn

Vacht verscholen lag. Het noorden

Kwam ons tegemoet. Lupines

Doorboorden met hun blauwe

Spiesen het licht. Uit monden

Van de dashboarden blies

Confetti van de bomen. Er zijn


Geen grenzen in de lucht, noch

Aan de grond! – Ik streel de beer die

Ik van je kreeg en kus zijn

Doffe neus gezond. Een heethoofd

Was ik dat zich nu boog en zweeg

Om wat we van anderen en

Van onszelf niet allemaal moeten.

Liefste, toen je mij toestond je

Te veroveren, vond je mij

Toch immers aan je voeten?

 

 

 

 

35

_______________________________________________

Lagunevormige kust, de greep

Waar de ochtendlijke spiegel van de

Zee in rust. Wij liggen op een

Canapé van wolken. Fata morgana

Van de lucht. Akkers, versleten

Als fluweel, de haren naar één kant

Geblazen door de wind, met struiken

Stug als schaamhaar aan hun rand,

Verkleinen zich tot een tableau van

Tegels, resten van een beschaving,


Delphi, Termopylae. Hoogmoed is het

Gist dat ons doet rijzen. Vissen zijn wij

In een lege zee. In de ruigten

Van de meters, hersens van het vliegen,

Kromt zich in een spleet van klaarte

Een panorama van intense helder-

Heid; barbaarse pronk en tederheid

Van zachte dingen die verstijven, van

De verstrengeling van lijven – o

Dat zij loslaat, dat ze komt.

 

 

 

 

36

_______________________________________________

Zwaai, bijl, ik zet je

Botheid kracht bij, splijt

Het hout opdat het

Brande tot mijn warmte en

Tegen mijn verdriet –

Aftandse zaag, snijd jij

De stramme poten

Onder de kronen weg

En laat ze tuimelen,

Er zijn geen koningen


Dan ik in dit gebied.

Groei, riet, woeker

De vijver dicht, beits

De herinnering groen,

Bevrijd mij van haar

Pijn en effen haar,

O kroos, opdat haar

Lieflijk lijf zelfs in mijn

Verbeelding niet in zijn

Weerspiegeling verschijnt.

 

 

 

 

37

_______________________________________________

Doodskoppen, schedels

Zijn de woningen in het

Gebleekte zand. Kapotte

Palmen staan er langs

De kust, waar men morsig

Nering drijft met wie

Men naar de ogen kijkt en

Toch niet lust. De bek van

Een vis, die onder een

Rots naar adem hapt is


Een vuilniszak. Een boom-

Stronk op het strand de

Stervende die in pijn ge-

Bogen ligt over de zich

Bevrijdende resten van

Zijn zijn – ik zag in alles

Het lijden en het stuk

Zijn, ik kon niet anders,

Ik zag de martelgang door

Stof op zoek naar rust.

 

 

 

 

38

_______________________________________________

De wind rukt onophoudelijk

Aan touwen, draden, plastic

Flarden. De zon telt aan haar boog

De graden. Vage bebouwing.

Nevel van hitte, waarin twee

Sterren als karbonkels blik-

Keren. Ramen, meedogenloos

Beschenen. Op wimpels, aan lichte

Motoren door de lucht getrokken

Verzekert een memento mori

 

Het leven tot in een nageslacht

Dat door de vaandels van Durex, the

Best there is, weer wordt bestreden.

Ah, vanitas. Slaap druppelt uit de

Golven. Slapen en ruisen.

Motor die stilvalt. Ruisen en

Slapen, water en zand. En meeuwen

Die van tijd tot tijd naast mij

Neerstrijken. Menselijk naakt ligt

Her en der verspreid als lijken.

 

 

 

 

39

_______________________________________________

Ik zei, ik zei, de armoe

Van alleen zijn is voorbij;

Van het gebrek dat de

Selectie maakte – o kind

Was ik van mijn tijd, van

Allebei! Onze aandacht is

Verlegd, van het resultaat

Naar het handelen, naar de

Daad, naar sex. Een luxe is

Dit die een nieuwe noodzaak


Schept: in standhouding van de

Soort tegen de eigen

Overdaad. Ons probleem is

Woekering, geen schaarste.

O de spijt, dat Eva niet

Zelf alleen de hele appel

At en Adam achterliet

In het Paradijs. Ik zei,

Ik zei het haar, maar zij

Geloofde me niet, me niet.

 

 

 

 

40

_______________________________________________

Wie kan Plato’s Symposion nog

Lezen, waar vrouwen voor het gesprek

Worden weggestuurd en als hoogste

Liefde die tussen mannen wordt

Aangeprezen? Welke vrouw met

Zelfrespect? Alles moet opnieuw

Geschreven! Mijn vriend, die zijn

Manchetten met paperclipsen knoopt,

Het liefst die van zijn rok, hem wees

Ik erop dat de hoogst georganiseerde


Samenlevingen van dieren de

Gefeminiseerde zijn en hij

Schrok. Maar ons discours – over de

Wrok – was lichtig en geleerd en wij

Dineerden. Spoedig zag men ons op

De dansvloer, in een foxtrot, hij

Volgde en ik leidde. O het was

Een plezier, alles moest op zijn

Kop en ook zo blijven, daar

Stonden wij inmiddels op.

 

 

 

 

41

_______________________________________________

O wonderlijk buitelen van de golven

Als jonge honden. Paardeharen duive-

Eieren van zeegras stuiven onder

Water. Schuim spat aan de randen op tot

Rechtopstaande hengsels van boodschappen-

Manden. Nesten van draden en mengsels

Van dauw en zoutkristallen, zoals die op

Een huid zijn afgezet aan haren, waaien

Van de gekuifde lopers alsof ze ruien

Met regenbogen waarvan het puurste


Blauw zich meedeelt tot de zee azuur is

En van een door de lucht gesmeed en

Door de wind in vorm geslagen

Violet. En onder dit alles het drup-

Pelen en murmelen, het vermurwende,

De angstige verrukking, het gelukkige.

Tot het donkere, golvende blauw de

Soepelste stof wordt die ooit ontstond

En kleur werd voor het lichaam van een

Vrouw – die men ooit uitvond voor jou.

 

 

 

 

42

_______________________________________________

De krans van blaadjes op de

Bodem van een kopje thee,

Volmaakt gerangschikt als een

Lauwerkrans, de porseleinen

Kom gevuld met vloeibaar goud,

Maar transparant en alles

Miniatuur; een cel van

Licht pulserend op een muur,

Afschaduwing van zon in een

Door wind beademde


Bebladering, vlek die beweegt

En klopt alsof het leven zelf

Er in ontstond – en uit verdween;

De vlinder, haar gespleten

Cape van vleugels losjes hangend

Aan stuifmeel – o eenvoud, die

Het zwaarst bevochten is, geluk

Waarvoor zo weinig nodig is

Als een minimum aan tederheid

En rust – o dit zielsveel.

 

 

 

 

43

_______________________________________________

Mist maakt de ochtend blauw als

Distels. Als krekels zingen de

Bromfietsen de berg op in de

Vroegte. Wind sikkelt de lucht

Met blad van eucalyptus. De

Gouden wielen van augustus

Liggen ontkoppeld in het land.

Hoe stroef voelen mijn voeten

Aan het koele zand waarin de

Afdrukken van tenen, naar grootte


Gevoegd, als parels zijn geregen.

De zee is met een tekst van

Schuim beschreven. Een enkel

Uitroepteken van een mast er

In. – O heerlijk, het uitheemse

Van geuren van warm middageten,

Het lispelen van water in

De goten, een wind die tolt rond

De eucalyptusbomen, stilte

En een ver weg verkeer.

 

 

 

 

44  ANADYOMENE

_______________________________________________

Zo mooi, zoals haar naakte

Lichaam door de branding springt,

De borsten hoog, de armen

In het verlengde van haar rug

Geheven. Ik zie onder haar

Huid als nooit ontwikkelde

Vleugels die zich willen uit-

Slaan haar schouderbladen zich

Driftig bewegen. Een on-

Verminkte Venus is zij,


Levend uit het gemarmerd

Schuim herrezen. Ah, lieflijk

Zoals haar zachtheid de

Gespierde golven weerstaat! Haar

Handen houdt ze voor de holten

Met het stugge haar. Voor haar

Knielen de rotsen, rustend

Tegen elkaar en bieden ze

De door een meester geslepen

Vormen van hun ruggen


Aan. Voor hun sculptuur had

De polijster van het getij zijn

Eeuwen nodig, maar de natuur

Heeft haar volmaakt gemaakt

In nog geen eenendertig jaar.

 

 

 

 

45  PERDA PERA

_______________________________________________

De zon trekt van de pijpen van de

Buitendouche de lijnen over het

Roze steen. Hockney. Een simpele

Klok. Grafische schildering. De

Zee wordt aquamarijn. Een zadel-

Vormige weide met één struik, waar

‘s Middags een kudde weidde – de

Bellen hoor je overal vandaan, de

Hele dag – wordt rul van gras. De bran-

Ding spat op veelkleurige kiezels


En keien. Hoe het licht verandert

In de valleien, over bosjes

Glijdt, hellingen tot ruigsten strijkt.

De verste bergen zijn door nevel

Verglaasd, tot het doorzichtige van

Porselein haast. Aan mijn voeten

Schelpen zo klein en zo doorschijnend

Als babynagels. Een lauwe wind, die

Langs mijn wangen blaast. De bellen

Van de kudde die naar huis toe gaat.

 

 

 

 

46

_______________________________________________

De zomer heeft het blauw van haar

Gezicht getrokken als oud behang.

Met wolken rolde zij zich in

En grijs werden haar wangen, grijs

Haar slapen; haar schoongemaakte

Ogen heeft zij nu altijd dicht.

In steden, waar spiegelsteden

Van ziekten, miniature

Metropolen van virussen en

Microben, nu aan hun bloei


Beginnen, beslaat haar adem de

Rivier en damp van een vroege herfst

Hecht zich aan ramen van de kroegen.

Zacht ben ik als haar weer op een

Oktoberavond na een storm die al

Haar vruchtbaarheid in zich bewaarde

En als het nachtverkeer is uit-

Geraasd leg ik mij in haar natte

Grassen neer – o jou van mij, zonder

Je wederkerigheid kan ik niet aarden.

 

 

III

 

 

 

47

_______________________________________________

Het is donker als ik

Wakker word en grijp naar

Sokken, stommel naar het

Bad. Mijn water is vermengd

Met bloed, dat er als roest

Uitziet, bezinksel, droesem

Van wat vruchtbaar was.

Water klettert uit de met

Kalk bezette kraan, nu ik

Mijn handen was. De dag


Die grauw is als het graniet

Dat mij vanaf het aanrecht

Met duizend kleine ogen

Beziet, verbleekt het raam.

Vuur legt een vacht van as

Om stammen, de haard roest

Om zijn glas. Ah, kussen,

Kussen, brandend als

Vloeipapier en even

Vluchtig, ah, zoals het was!

 

 

 

 

48

_______________________________________________

In de ombouw van de haard

Loopt iemand ronden, gestadig,

Zonder haast. Het is het

Tikken van wat zich uitzet

In hitte en het maakt me

Gek. – Je ziet, ook als je

Er niet bent, ben ik niet

Alleen, maar de speling

Tussen ‘waar ben ik’ en


‘Waar ga ik heen?’ groeit

Onbedaarlijk met de dag.

Lieveling, in de warmte

Van de zomeravond, in het

Lome van na de maaltijd

Zocht ik, hurkend op naalden,

Onder gepurperde bomen

Denneappels en droomde van

Onze kachels in de winter, ik

Was volmaakt gelukkig, ik

Hoefde niet meer dan dat.

 

 

 

 

49

_______________________________________________

De polder is besneeuwd, de wegen

Liggen wit van zout, het wolkendek

Hangt laag en het is koud. Hemel en

Aarde zijn een envelop die zich om

De leegte vouwt. De zon komt als een

Stoplicht op. Een kraan spuwt ijzeren

Draden als een draak en in een zanden

Rug liggen de ribben van traktoren

Gekraakt en ingedrukt. Over ge-

plaveide hellingen, waarin als rails


De karresporen zijn ingelegd, rennen

Wie met wielen zijn geboren als

Ratten of als lemmingen. En eens te

Meer meng ik mij in dit menselijk

Verkeer. De wolken bukken zich tot op

De grond en wagens vluchten. Vlagen

Sneeuw jagen vanuit de luchten achter

Ze aan. – O het gemis, dat zonder

Toekomst is, niet om het weg zijn van

De ander, maar omdat zij er nog is.

 

 

 

 

50

_______________________________________________

Dat ik aan je lichaam

Dacht, zo lenig als

Een stengel en zo glad,

Zo stralende als gras

Maar zijn kan onder

De wind, waarvan je

In je buigzaamheid

Besprongen was en die

Ik over je was –

Rank ben je als het


Riet, een zilveren glans

Bedekt je leden, je

Ogen glinsteren als

Water dat zich verzameld

Heeft in blad of als

De dauw die een zomer-

Dag lang parelt in de

Bladerkrans van de

Lupine – een parel

Ben je, anders niet.

 

 

 

 

51

_______________________________________________

Zoals het lijden niet is te

Vermijden, het is gegeven, zo voel

Ik een verdriet dat als een spoel uit

Een machine in mij losschiet: ik dacht

Nooit aan de weg, ik dacht aan het doel.

Als ik trappenhuizen van flatgebouwen

Zag, die als verlichte ritsen in een

Onzichtbare jas getrokken stonden

In de nacht, dan waren het ritsen die

Ik opentrok. Ik was op weg, blind als een


Zenuw die onder een ooglid klopt, doel-

treffend als een pees die is gespannen op.

En drie uur reizen voor één nacht

Met je samen, en dan te moe om je met

Liefde te beslapen – was ik altijd

Onderweg zonder ooit thuis te raken,

Wat ik vergat, omdat ik aan niemand en

Niets anders denken kon dan dat en hoe

Je laatste snik onder mijn ontembaar

En ellendig ik geklonken had.

 

 

 

 

52

_______________________________________________

En iedere keer als ik langs de

Spiegel loop, zie ik meer – het grijze

Aan de slapen, het woeste blonde

Bovenop – de kop, het aangezicht

Van mijn vader. De staat van schedel

Nadert bij leven en onwelzijn –

Bot, dat sinds de geboorte van

Het vlees van kraakbeen verhard is

Tot. Om het hoofd te bieden aan.

Om overeind te blijven staan.


En iedere week denk ik halver-

Wege, de volgende week doe ik het

Beter. En na het snikken ligt ze

Als een kind, opgerold, afgewend.

Ik kijk naar haar, haar lief gezicht

En vraag me af waaraan ons falen

Ligt. We have no aim, we’re empty,

It’s our emtyness – had ik wat

Ik zag als ons problem tot in een

Andere taal van mij vervreemd.

 

 

 

 

53

_______________________________________________

Het wilgeblad, droog, als een

Gondel gekruld, zeilt over

Het hoekig water dat

In het late licht – de wind

Stipt met zijn zilverstift

De golven aan – blauwer

Is dan de diepste lucht en

Helderder dan elke stroom.

Pluizen van paardebloemen

Dalen er in af en


Tollen er in een droom van

Schoonheid om hun as, de

Parachuutjes met toekomstig

Leven. En in de weide achter

Glas staan paarden met hun

Staarten te bewegen. Nooit

Was er mooier en sterieler

Streven dan deze vruchtbaarheid

Aan water te vergeven

Dat al zwanger van chloor was.

 

 

 

 

54

_______________________________________________

Gewend aan het leggen

Van verbindingen die

Ik voor zinvol hield ver-

Wenste ik toch haar wil

Tot kinderen. Dat een

Bestaan daaraan zijn zin

Ontlenen zou leek mij een

Waan. Niets scheen me erger

Ook dan het verwekken van

Een nageslacht dat niet


Je trekken draagt. Of het

Klieven van embryo’s zich

Met de moraal verstaat,

Het kwam niet in me op.

Het zijn enkel graden van

Onnatuurlijkheid waar

Het hier om gaat. Voor mij

Heft kunst de tekorten

Van het leven op. Kunst

Verguldt wat er aan schort.

 

 

 

 

55

_______________________________________________

Na een doorwaakte nacht en

Liederlijk gedrag – het jammeren

Van haar overgave, smekeling

Van het geluk, van de extase,

Haar nagels sneden in mijn rug –

Is er een algemeen bedroeven,

De hoofden van stoplichten dragen

Juten doeken. O op één schoen

Kwam ik aan, ik heb met een knoop

Betaald. Als een knoop die aan


Een hemd is aangenaaid, draad

Door de ogen, ben ik gekomen,

Berooid en losgeraakt ben ik

Gegaan. Ik had minder dan ooit!

Haar adem stoot als morse, is dit

Hijgen? Haar huid vertoont de sporen

Van mijn bijten. Wij zijn gepaard,

Wij rijmen!  - Begeerte en weerzin

Lopen in mij over. Ik moet braken

En ik kijk haar naar de ogen.

 

 

 

 

56

_______________________________________________

Is er een dag? Is er een uur?

Is het vandaag dat ze van mij

Eist, wat ze mij verwijt? In welke

Laag van het bewustzijn vond het

Plaats dat wij verwilderden en dat

De liefde zelf verwerd tot die van

Een kinderhand met een gat erin?

In het labyrinth van het gesprek

Raakten wij net zo verloren

Als onze bedoelingen en woorden,


Oorlog en verzoening streden met

Elkaar. Zij kan niet anders

Geven dan haar naakte zelf, dat

Is haar schoonheid, haar beperking

Tevens. Verweet ik dat aan haar?

Hoe het ook zij, in die beperking

Maakte ik mij vruchteloos meer en

Meer meester van haar en knoopte

Ik mijn woorden minder en minder

In mijn oren dan aan elkaar.

 

 

 

57

_______________________________________________

Zo, door de ogen van mijn schoenen

Kon ik het rijgen beter zien

En de duistere visioenen

Van mijn dromen, waarin het luide

Naderen en komen zo’n voorname

Plaats inneemt, beter verstaan.

Ondergronds epos van geweld en

Waan dat elke nacht in koortsen

En fantasieën aan nieuwe

Zangen dicht. Zij laten de teugels


Van het onheil vieren. In spasmen

Van groei en schoonheid scheuren

Zij hun kieren en sporen door het

IJlend gedachtenleven dat

Is opgetrokken als paleizen van

Naalden of spitse pegels, tot in

De wolken rijzend. Het was als een

Berg beklimmen langs een trap die je

Al stijgend timmert. Angst is het

Verstand dat wij hebben verloren.

 

 

 

 

58

_______________________________________________

Toen stemmen nog vervlogen, klanken

Eenmalig waren, bogen wij ons

Luisterend naar ze over, maar nu

Ze opgeslagen zijn in groeven of

Opgezet op banden is hun klinken

Even vluchtig als oorverdovend.

Nu galopperen hoeven uit een andere

Eeuw door kamerhoeken en klinkt

Geschreeuw uit oerwouden door

Steden. Ik keek van het beeldscherm


Van de wereld terug in de diepten

Van de werkelijkheid. Waar eindigt

Ons vermogen tot diepte geven waar die

Niet is of tot inleven? Geef mij maar

Leeuwen, ze praten niet, ze scheuren

Een ander aan stukken als dat nodig

Is en zijn daarmee nog even onschuldig

Als voorheen en als ze schreeuwen

Is dat van verdriet of pijn – van de

Beesten kunnen we nog veel leren.

 

 

 

 

59

_______________________________________________

De som van alle klagen klom

Tot een hoogte waarvan de

Echo tot in de verste

Sterrenstelsels doordrong. Stilte

Herstelt zich nooit van een

Geluid. Elk zwijgen gonst van de

Nagalm van verdriet en zwol

Van alle gerucht, ieder woord

Dat ooit weerklonk. In elke

Stilte trilt dat zwaarst akkoord.


Ik hoorde mijn moeders snikken

In mijn eigen beklag en dat

Van mijn grootmoeder en van

Alle vrouwen voor mij en ach,

Uiteindelijk ook het jouwe

Van onze laatste dag. De som

Van alle geluid is stilte,

Het zwarte gat, het baar-

Moederlijk zwijgen van het

Al in de zwaartekracht.

 

 

 

 

60

_______________________________________________

Van binnen verlicht uit vijf

Gaten ligt, als een afgehouwen

Negerhoofd, in de nacht

De boerderij. Achter het

Kroezend struikgewas gaan

De verschrikkelijke ogen

Langzaam dicht. Het helse licht

Van de Hoogovens tint het zand

Onder mijn voeten rood. Groen

Ligt er als bloedspatten over uit-


Gestrooid. Langs de laaghangende

Wolken trekt de vuurtoren in

Baan na baan zijn maaiende

Ronden. De atmosfeer is van

Natheid doordrenkt. Mijn denken

Was onthecht, ik sleepte mij

Over de bodem voort en zwierf

Om de boerderij als Heathcliff

Om de Grange, als Catherine

Om haar eigen Wuthering Height,

 

 

 

 

61

_______________________________________________

Aan de horizon schuiven

Reusachtige ijzeren deuren

Open, het gerucht van het

Ochtendverkeer dat zijn spits-

Uren loopt. Door de stenen

Schaal van de stratosfeer rollen

Als loden kogels de jagers,

Zij schampen de ruimte met hun

Schamperende geluid dat op de

Grootst mogelijke verachting


Duidt. Met explosies van brand-

Stoffen die uit fossiele stilten

Zijn opgediept bekrassen ze de

Schutting van de lucht met hun

Vluchtige graffiti, de

Geslaapmiddelden, de pijn-

Gestilden, de gehoor-

Gestoorden, onder hun Japanse

Tarnkappe van Sony liggen zij

Aan een infuus van muziek.

 

 

 

 

62

_______________________________________________

Ik wist niet waar ik was, namen

En gezichten, ze leken sprekend op

Elkaar als klinkers in een straat

Of in een taal. Wegen en

Viaducten waren zwijgend

Verwisselbaar als klaverbladen

Die ik in hun bermen plukte, maar

Nooit meer die van vier, die van

Geluk. Hele stukken waren uit

Hun verband te rukken of al


Gerukt. Ik wist niet wat ik zag

Of zocht. Van de snelweg afge-

Daald, vertraagd tot in gehuchten,

Kostte het mij moeite om er

Bij te horen. Ik was verdwaald

Als een goed gelukte regel in een

Vreemde taal, de context van het
Vers verloren. Het tempo was te

Stapvoets. Ik kon het knerpen van

Het grint onder mijn wielen horen.

 

 

 

 

63

_______________________________________________

Voor de kust draaien de

Zeilen hun ronden, uur-

Werk van de wind, de

Kleine als seconden-

Wijzers tussen de grote

In. Windwijzers van het

Helm, zij tekenen hun

Bevinden in het zand,

Een fijn halfrond van

Lijnen, waar niets dan de


Grafiek van dit ervaren

Zijn neerslag vond. De zee,

Een rest van bunkers,

IJzer haakt. Twee stemmen

Waaruit het water

Bestaat, die van vallen

En opstaan, van opstaan

En vallen, ik dicht

Op slapen en honger,

Op honger en slaap.

 

 

 

 

64

_______________________________________________

Het scheepje door de wolken

Zeilt, het scheepje van de Admi-

Raliteit, de gouden naald houdt

Het gespitst, een streng sajet het

Torentje is, de spiegel van

De kromme gracht trekt zich om

Ronde hoeken heen, de wind van

Finland gaat door merg en been

En in de Hermitage Russen,

Schuddebuikend voor Jan Steen.


Rembrandt: de ijzeren kraag ge-

Poetst. De ouderdom aan een koeler

Palet getoetst. Het zelfportret.

En achter het glas schiet plot-

Seling in dit gezicht mijn blik.

Zover van huis en in dit vreemde

Heden en ogenblik dit aller-

Eigenste te zien, mijn toekomst

In weerspiegeling, gezet in dit

Meest eigene verleden.

 

 

 

 

65

_______________________________________________

Lieflijk hoe de harmonie

Haar wijsjes blies. De

Kinderen rusten van het

Spelen. Het scherend canvas

Van de zeilen raakt haast

De grond. De zee weeft een

Patroon van kinderhoofden

In haar stromen. Als waar een

Paradox optreedt er sprake

Van een hogere waarheid


Is, welke hogere waarheid

Steekt er dan achter de

Paradox van ons bestaan? –

O elk begrip is toeval, elk

Verstaan. Aan tafels zonder

Verleden en zonder toekomst

Wil ik zitten en buiten

Elk begrip wil ik ook staan.

Lief, lief, dat geen lief

Is, wat heb ik je gedaan?

 

 

 

66  

_______________________________________________

Ik wilde de zon

Dwingen om door de

Wolken heen te dringen,

De spreeuwen schoot

Ik uit de dakgoot, ik

Schopte de koppen

Van de netels, zij

Brandden me niet. Ik lachte

Om het gebroken hartje

Op de mesthoop, maar niet


Om de lavendel die

In de border opschoot

En die je plantte voor

In ons bed. Ik trachtte

Mijn meest radeloze

Zelf het sussendst toe te

Spreken, maar alle woede

En verdriet verbogen zich

Tot het machteloze ene:

Mij vergeet je niet.

 

 

 

 

67

_______________________________________________

Aan naalden ruist de wind

Voorbij. Versleten deuntje

Lijkt het mij. Vergeet haar,

O vergeet haar toch, die

Het onbestaanbare

In je zocht. Een ziel

Die door de ruimte zweeft,

Wie weet hoeveel weerstand

Die heeft? Zo droef, zo

Droef te moede. Soms is de


Hemel blauw en leeg, soms

Is hij zwart en van sterren

Vergeven, verbijsterend

Geheim dat hij prijs

Zou geven, als hij zich

Plotseling voordeed in rood.

Vergeet haar, o vergeet

Haar toch, in wie je

Het onmogelijke zocht, zo

Droef, zo droef te moede.

 

 

 

68

_______________________________________________

De peppels zijn in rouw

Gedompeld, ze inkten zwart

En blauw. O vrouwen die hun

Innerlijk verminken, om mee

Te mogen doen, met wie? –

De lelietjes van dalen

Blinken, hun sneeuwwitte

Mutsjes gevlekt met bruine

Stippen van regen, van hun

Bladeren het tere weefsel


Door lompe voeten geplet.

Meisjes, zo winderig, zo

Koud, op een vroege voor-

jaarsnacht in het raamkozijn

Gezeten van een stad, een

Lege straat – heel klein

Soldaatje tussen hun

Lakens was ik, valkje

Dat langs hun uitgestorven

Snelweg nog te bidden staat.

 

 

 

 

69

_______________________________________________

Alsof het weinige

Dat van iemand rest

Het haast te vele van

Haar aanwezigheid

In dierbaarheid nog

Overtreft – een zakdoek

Of sigaret. Liefde is

Een overstuur zijn van

De geest dat zich tot

In het lichaam voortzet.

 

Een lichaam van dor blad

Bijeengehouden door wat

Leegte dat, zoals ik,

Zich wentelt in

De wind of in verdriet

Over de grond. Masker

Van kiezel, wit gezicht.

De wind perst tranen

Uit mijn blik. Verkommer

Ik, verkommerd ik.

 

 

 

 

70

_______________________________________________

Wekenlang was de wind

De enige die langskwam. Geen

Afgesneden telefoons of

Dwangbevelen, alleen slaap

En het ruisen van de zee

En ‘s avonds soms een stille

Film als een zonsondergang

Beleefd, een strakgetrokken

Doek waarlangs het bloedend

Lichaam gleed, de lucht heeft


De kleur van rauw vlees. Ik

Dicht en heel, dicht en genees.

En een keer een café, een

Engel als aan vleugels aan

De jukebox vastgekleefd, een

Filter in de mond, neuriet de

Liefdesliedjes mee, wij zijn

De enige twee, love hurts,

Dicht en genees, de vleugel

Van de nacht hangt over zee.

 

 

 

 

71

_______________________________________________

De wind dartelde af en aan

Als een jonge kerel op een

Tennisbaan. De linden om het

Huis staan scheef. Genegen in hun

Eerste groen wiegen ze verlegen

Als jonge meisjes om het

Veranderen dat ze doen. De

Heuvel gloeit van trots onder

De bloemen die hij torst: de

Hazewindekop van de narcis


In knop. En in de dalen

Achter zee echoot het van

De nachtegalen. Het klepperen

Van denneappels die onder

Het langsgaan van de felle voor-

Jaarszon openknappen, het klinkt

Als lekken van water, overal

Vandaan, een nooit gehoord geluid,

Zelfs op de grond springt het

Hun harde, houten kelen uit.

 

 

 

 

72

_______________________________________________

Zoals verandering van spijs

Doet eten, zo kan verandering

Van toon doen spreken. De

Bomen ontwikkelen vlokken,

Samenklonterende massa’s,

Proppen fladderend blad,

Een trilharen baard die de

Stembanden van de wind, die

IJle winterse jongenssopraan

In takken, verzwaart. Ze jagen


Hun knoppen als kudden de

Lucht in om er te grazen,

Schuiven hun Jacobsladders

Uit van groen, die hogere

Versnelling, dat schepje bovenop,

Die ze doen scoren op elkaar en

In het blauwe. De nachte-

Galen gaan duetten aan met de

Wind in zijn aria’s, hun rauwe

Opera klinkt overal.

 

 

 

 

73

_______________________________________________

Tot op de grond gerokte

Paarden, gemaskerd met

Lakens zijn de jonge

Kastanjeblaren, de dunne

Kaarsen als ridders in een

Steekspel er op. Bij elk

Vlagen stormen ze los op

Elkaar en op molentjes waar

De wind mee draait in een

Zotte en dwaze Donquichot-


Terie. Om te proesten is

Al dit groene gedoe. Ach,

Win je iets dan verlies je

Wat je niet had voor je het

Won en verlies je iets dan

Win je wat je minder hebt

Dan toen je begon! Het

Collectief van de natuur

Telt op. Het collectief is

God. Haar som is het bestuur.

 

 

 

 

74

_______________________________________________

Een blauwe, glanzende

Kern, geconcentreerd azuur,

Vandaaruit was het dat ik

Leefde. Hoe geruisloos dreven

De wolken door haar heen, hoe

Laag hingen haar luchten en

Hoe somber kon zij bedolven

Raken, dan weer met vlokken

Zonnestof bestoven. Bol

Waarin de toekomst ligt


Verborgen. Nu spiegelen zich

Vluchten pelikanen in haar

Af, op weg naar verre

Plekken om er te paren. Soms

Zal er daar dan een zijn die

Uit zijn tooi een veer neemt,

Zijn hagelwitte vleugel tot

Papier verheft en schrijft,

Als ik misschien, aan zijn

Vergeetboek, en alleen blijft.

 

 

 

 

75

_______________________________________________

De kleine golven zijn als

Leeuweklauwen, hun haren stromend

In de wind, hun nagels grijpend

In het blauwe, maar om haar

Vrouwenenkels spelen zij en zijn

Getemd. – O zoals zij staat

Tussen de irisgele strepen

Die over de bodem van het

Water slepen en aan haar schaduw

Een geïriseerde straling


Geven, zo onaantastbaar en geen

Sterveling voorbestemd. Zij schudt

Haar donkere haar dat, van zijn

Diadeem bevrijd, over het

Schemerende indigo van

Golven glijdt en is de zee, één

Tint haar haren en de golven,

Golven en haar haar. Ik en de wind,

Wij drentelen om haar, de wind en

Ik, haar dichter en haar minnaar.

 

 

 

 

76

__________________________________________________________

Ik wilde het ongerepte

Wilder, maar dichterbij vooral

En trachtte de wind te winnen

Voor mijn plannen, hem voor ze in

Te spannen, hij die met leven

Is behept – het in zijn wangen

Draagt en blaast en blaast; die altijd

Zwanger gaat en baart en op de

Spierbal van zijn paradox alles

En allen laat bewegen. Ik


Bokste tegen hem op, hem die

De tijd die ik tot stilstand wilde

Brengen opschort en elk moment

Dat ik verlengen wil verkort.

Ik koos hem tot mijn opdracht, tot

Mijn evenknie, die mij soms

Uitgebannen hield, dan weer op

Handen droeg, het was hem alles

Om het even. – Zo lang, zo lang

Geleden, o nog niet lang genoeg.

 

 

 

 

77

_______________________________________________

De scheepjes zijn de sloffen

Die de wind aanschiet met zijn

Gevleugelde hielen, bood-

Schapper van de goden, aan-

Zegger van nieuws. Hun snelle

Motoren dansen in een

Ongebreidelde fantasie,

Al naar zijn luim, de wildste

Patronen; zij remmen in

Strepen van schuim op de


Hielen, de stevens van hun speed-

Bootkielen omhoog gericht.

In zalen van blauwe golven

Drijven de wieren. Ik luisterde

Naar hoe de branding onder

De Moorse bogen waarover

Ik hing in het grint fluisterde

En lispelde tegen het

Water waarin ik je ogen

Zag dat ik je miste.

 

 

 

 

78

_______________________________________________

Duizenden bijen en hun

Koningin schoten per veer de

Ruimte in. Ik sliep onder een

Melkweg die van honing over-

Liep in nachten dat er niets

Te horen viel dan het rijzen

Van de sterren; reisde toe-

Gedekt door wind onder witte

IJzeren balken en de romp

Van sloepen. Van het zijde-


Zachte water snijden de

Schoepen dunne platen tot een

Straat van schuim waarin dolfijnen

Duiken. – Alles ademt de

Sensatie van natuurlijk licht

En ongefilterde lucht. Van

Het bord aan de balusters zijn

Door zout de letters uitgewist

En voor mij ligt een zee van vloei-

Bare plakkaatverf, vloeibaar goud.

 

 

 

 

79

_______________________________________________  

De bergen roken van de herfst-

Vuren die ze stoken, de bomen

Krijgen rode wangen van hun

Gloed. Ik trok naar het Noorden door

De donkerende wouden van

Europa, roestend van najaar,

Roestig van auto’s, door dorpen

Zonder trottoir, als kloven, de

Lange schaduw van oktober

Woont er al. Langs zenuwbanen


Die door de valleien lopen –

In grijs van treinen en van

Wegen en alles nat van regen –

Pulseert de metalen golfstroom

Van het verkeer. Het Westen is

Eenzaam nu het millennium

Zijn einde vindt. Wat de wolken,

Het rag van industrieën, weg-

Vaagt en van de akkers aanblaast

Is een vrouwelijke wind.

 

 

 

 

80

_______________________________________________

De wissers rukken zich uit

Stilstand los en scheppen zich

Een nieuwe helderheid, hun

Winterslaap kleeft als een rest

Van rubber aan de ruit, een

Droom van de uiteindelijkheid

Waarin traagheid en snelheid

Samenvallen en het niet meer

Uitmaakt waar je heengaat, alleen

Nog waar je bent. – Geschoeide


Onhoorbaarheid geeft voeten

Aan de stilte; een hand die

Rilke van het aanrecht licht;

Over mijn lichaam droogt het zweet

Van jagen over wegen; en

Voor de haard de ongeknechte

Wind die slapend als een huisdier

Ligt. De straten zijn met nieuwe

Regen gladgetrokken, de

Velden geplaveid met ier.

 

 

 

 

81

_______________________________________________

En tel niet meer de nachten

Of nachten dat niet en niet

De weken meer, maar maanden

En jaren wellicht, een grond

Betredend, aan vergeten

Rijk, waarin herinnering

Is inbegrepen. – Niet

Verontrustend meer als op-

Rukkend geschut de regen

In de verte, maar gelukkig


Makend van rust dat water

Invreet in het open raam, zo

Huiselijk en zo concreet. – Was

Ik toch altijd trouw aan wat ik

In je zag en mij daarvan be-

Wust, o naar onsterfelijkheid

Hongerende jonge vrouwen, maar

In het gras schittert de dauw

Inmiddels van een dieper

Blauw dan de vergeet-mij-nieten.

 

 

 

 

82

_______________________________________________

Dat ik mij bedronk van je

Verkochte skies; je weggegeven

Kleren die van hand tot hand over

Het dorpsplein gingen, op weg naar

Mooier lichamen of minder – het

Was mijn kleine wraak, de grote

Heb ik van mij afgeschreven.

Vaarwel dan, die je naam ontleent aan

Veritas, maar die, als dat bestaat,

De waarheid, noch de ware was;


Van wie de borst, die lafenis voor

Onze nooit te stillen dorst, zo zacht

Was dat het hart het waagde zich

Bloot te geven. – Zoals je in mijn

Armen lag, snikkend als het kind

Dat je ook was, zo wil ik je niet

Vergeten. Ik doe je sleutel van

Mijn ring, je ring tenslotte van mijn

Vinger en voeg in dit gebaar

Ons eindelijk samen in ontbreken.