Jan Emmens


AAN DE ARM VAN

Aan de arm van je nabestaande zag ik je horloge -
de tijd gespte zich los van haar pols en bond zich
aan die waaraan hij hoorde. Juist op het moment
waarop hij daar, op zijn beurt, weer van losgemaakt werd
om niet te storen bij de innigheid, een kras te worden
van het tederste gebaar.
Het was niet lang daarna
dat hij voorgoed ontknoopt werd, afgelegd, ontbonden,
neergelegd naast het hoofdkussen bij de andere
kleine bezittingen van op het lijf.
Niet meer opgewonden groeide hij nog even door,
zoals een nagel na de dood, nadat het lichaam
met een laatste krachtige beweging
de tijd afsloot.

1978, Afstand


IN MEMORIAM JAN AMELING EMMENS

Waar is mijn verwondering
gebleven? ik zit opgesloten
in mijzelf en zie niets
dan mijzelf of naar de grond
of ten hoogste
in een rotspartij in de
hatelijke zon een dode hond -
ik wil niet langer leven zo

dan jij; met slechte dromen
zijn de uren van mijn nacht
bevracht en ik denk aan je, hoe alle
kracht die je genie bezat tegen je
in het nauw gebracht werd
door je en je jezelf
hebt omgebracht -

Braam, doornige, ook jij
laat je gewapende takken
toch hangen in de toornige (zon)?

2002, Van Cadmium Lekken de Bossen